Laten we het eens over de aardbeienpluk hebben. Want aardbeien zijn er in enorme aantallen dit jaar! Zodra je de pluktuin inloopt, komt de geur je al tegemoet. Het hele veld ruikt naar aardbei. Dit jaar is de oogst enorm; ze hangen in grote trossen onder het bladerdek, klaar om geplukt te worden.

Een veldje om te delen
We hebben één veldje afgedekt met een net – tenminste, als we zelf nog iets over wilden houden. Het andere veldje lieten we open voor de medebewoners van onze tuin. Het is mooi om te zien wie daar allemaal op afkomen: de bekende kauwen en houtduiven, maar ook minder voorkomende vogels zoals puttertjes en kwikstaarten. En vergeet niet de (woel)muizen en hazen!
De planten zelf trekken zich trouwens weinig aan van de grenzen die wij bedenken. Als je er niets aan doet, verspreiden ze zich als een olievlek over de moestuin, zo door het kippengaas heen. Nu groeien ze ook tussen de erwten, kapucijners en boontjes. Daar worden ze iets minder snel gegeten, behalve door de slakken. Die komen in de eerste plaats voor de peulvruchten, maar als ze onderweg zo’n sappige aardbei tegenkomen, laten ze die natuurlijk niet hangen.
Rode wangen en volle emmers
We hebben al veel geplukt, en zoontje en dochtertje helpen goed mee met de oogst. Ze nemen af en toe vriend(innet)jes mee die zich eerst heerlijk volproppen, waarna we samen de emmers vullen. En dat gaat hard! Afgelopen week hadden we een twaalf-liter emmer én een vijf-liter emmer tot de rand toe vol, waarna we maar zijn gestopt.
Omdat eenmaal geplukte aardbeien niet lang goed blijven (de ondersten in de grote emmer waren door het gewicht al verpulverd tot klei-jam), hebben we flink uitgedeeld in de omliggende straten, op school en aan bekenden. De kleinere emmer verwerkten we met elkaar tot jam, compote en taart. En nu? Nu is de volgende grote emmer alweer gevuld. Tips en recepten zijn dus welkom, want morgen komt emmer nummer drie!
Oude rassen en onverwachte smaken
We hebben meerdere soorten staan, allemaal door elkaar heen. Niets in keurige rijtjes, maar lekker schots en scheef. Om mee-eters te ontmoedigen plantte ik er Artemisia (absintalsem) tussen. Dat hielp helaas totaal niet tegen de dieren, maar het geeft wel een heerlijk gedestilleerde, frisse smaak aan de aardbeien die er strak tegenaan groeien!
We hebben de rassen Ostara (ja, die heb ik deels voor de naam), Favori, Lambada en Sonata. Er zitten supergrote tussen, maar ook de wat kleinere, Franse Mara des Bois. Mijn favoriet is Frau Mieze Schindler. Een ouder ras uit 1925, waarvan de smaak doet denken aan een bosaardbei. Ze zijn enorm donker van kleur, alsof het pigment er zo uit kan vloeien, en ongekend zoet. Daar is echt niets mee te vergelijken. Ze hebben wel een bestuiver nodig, maar omdat de Ostara een doordrager is, werkt die daar perfect voor.
Van de tuin naar de werktafel
Ik zou nog zoveel kunnen vertellen over de aardbei. Bijvoorbeeld over hoe het eigenlijk een schijnvrucht is, en over de zaadjes aan de buitenkant. Maar het is ook gewoon een prachtig gezicht in de tuin: de rijpe aardbeien naast de halfrijpe die net beginnen te blozen, en de bloemetjes die nog tot aardbei moeten verworden. En dan die dieprode kleur, die soms zelfs over het kroonblad druipt…
Die inspiratie neem ik natuurlijk mee naar binnen. Ik heb de vormen en kleuren geprobeerd te vangen in bloemenkransen voor Sint Jan, in stekers voor de Grimm’s jaarring en in de bloemenpers. En wie weet waar ik het de komende tijd nog meer in verwerk. Aan ideeën voorlopig geen gebrek, want de meeste aardbeien op ons veldje zijn doordragers. We kunnen dus nog even vooruit!